Weblog Lucas Catherine

Visitekaartjes

23 / 05 / 2010

Ik heb nieuwe visitekaartjes laten drukken. Ik vertrek namelijk nog maar eens naar Marokko en in Marokko besta je niet zonder visitekaartje.
Hier toont je aktetas, liefst met cijferslot, hoe belangrijk je bent. Tenminste als je ambtenaar bent of zo. Wat er in zit is niet echt belangrijk. Zelfs alleen maar boterhammetjes voor ’s middags volstaan. Bij arbeiders ligt dat anders. Daar telt het aantal stylo’s in het borstzakje. Minstens drie: een om te schrijven, een reserve tegen als de andere zonder inkt valt en een derde met een dopje in de kleur van je vakbond. Als je er nog meer hebt, dan ben je zeker délégué.

Visitekaartjes, altijd en overal

In Marokko ligt dat anders. Visitekaartjes, altijd en overal. Na een dag Marokko, als je tenminste iets anders doet dan de soeks of het strand afdweilen, weet je niet meer waar ze steken. Dat probleem hebben ook de Marokkanen, daarom hebben ze daar een hele cultuur rond ontwikkeld. Ten eerste moet je visitekaartje tweetalig zijn: Frans en op de achterkant Arabisch, liefst met je naam in kalligrafie.

Maar hoe weet je nu ’s avonds als je ze ergens op je bureau wil deponeren, wat van wie is? Daar hebben ze het volgende opgevonden. Ze zetten er zo’n klein thumbnail foto’tje op. Oké, dan weet je het weer. Maar was die man belangrijk? Als het een vrouw is, stelt het probleem zich niet, een vrouw met een visitekaartje is altijd belangrijk. Ook dat probleem hebben ze opgelost. Je maakt een speciaal steekkaartenbakje, maar nu voor visitekaartjes en iedere avond noteer je op je nieuwe aanwinsten sterren, zoals voor een hotel of restaurant. Van één tot vijf sterren. En je klasseert die dan in afgaande lijn. Heel praktisch voor later. De bevoegdheid van de persoon doet er niet toe. Je wisselt toch alleen maar kaartjes uit met mensen waar je beroepshalve mee te maken hebt.

Alleen in het Nederlands

Dus ik heb ze laten drukken. Wel zonder foto en zonder kaligrafie. En alleen in het Nederlands. Dan zullen ze zich wel herinneren wie Lucas Catherine was. Automatisch zit ik zo vooraan in hun klasseerbakje, niet omdat ik zo belangrijk ben, maar als rariteit. Slum zaan wint, zeggen ze in Brussel.

Dat zijn dus kaartjes op Lucas Catherine, mijn schrijversnaam. Misschien is het goed, dacht ik, nu ik toch bezig ben om een tweede set te bestellen met mijn burgerlijke familienaam. Dat kost dan maar de helft van de prijs, een geste van het huis, zei de verkoper. Nu kaartjes met de naam Vereertbrugghen weet ik echt niet wanneer ik die zou kunnen gebruiken.

Niet dat ik iets tegen mijn eigen familienaam heb. Integendeel. Alleen vond mijn uitgever die dertig jaar geleden iets te lang, vijftien letters dat is moeilijk op een cover en dan nog eens vijf extra met de voornaam erbij. En in België vervormen ze die direct tot Vaneertbrugghen of gewoon Verbruggen. In het buitenland is dat nochtans anders. Daar kennen ze die varianten niet.

Een naam van vijftien letters

Ik heb verre familie die voor de Grote Oorlog is geëmigreerd. Er was niet genoeg grond meer om op te boeren in het Pajottenland rond Brussel. Mijn tak is dan maar spoorman geworden, mijn grootvader eerst nog in het station van de Groendreef, mijn vader in dat van Tour en Taxis. Maar zij trokken weg. Ze wilden verder boeren. Zo zitten er nu in de streek rond Grevelingen/Gravelines en Duinkerke. En daar hebben ze blijkbaar geen last met die naam. Ze spellen nog altijd de vijftien letters correct.

En eentje, Jozef Vereertbrugghen trok in 1900 naar Canada, maar hij zag het daar niet zitten en zakte altijd maar lager af, tot in Patagonië en daar hielp hij mee het stadje Bariloche stichten. Daar hebben ze nog altijd een Avenida Vereertbrugghen, ook zonder fouten. Hij is wel in 1936 in Brussel komen sterven. Geen graf in de pampa maar in de Brabantse klei. Soit.

Begrafenissen

Waarom zou ik hier zo’n naamkaartje nodig hebben? Je geeft vrienden en kennissen toch geen visitekaartje. Die weten je wonen en je telefoonnummer slaan ze op in hun mobieltje. Mijn ouders gebruikten zo’n kaartje wel, voor op begrafenissen. Toen zaten gepensioneerden nog niet heel de dag achter hun computer maar gingen ze ’s morgens naar begrafenissen. De kerk moest vol zitten, anders was dat een affront. En ze wilden dat als het hen overkwam, de kerk ook vol zat. Daarom hadden ze die kaartjes die ze dan deponeerden in dat speciale mandje achteraan bij de doopvont in de kerk. Maar ik ga niet naar begrafenissen, laat staan naar de kerk. Ik wil niet in de kerk begraven worden. Neen, cremeren en daarna geef ik testamentair mijn kinderen de opdracht om mijn as uit te strooien in de Zenne, net voor ze Brussel binnenkomt. Zo laveer ik nog een laatste keer door de stad, en ook door twee zuiveringsstations. Een schoner eind kan ik mij niet voorstellen. Proper, net.

@Allen: uw reactie is welkom als u zich houdt aan de regels voor deelname aan onze discussieforums - mod

.

1 Antwoord op “Visitekaartjes”

  1. Rik Verschuere Zegt:

    ‘Ik wil niet in de kerk begraven worden. Neen cremeren……’ Cremeren, Lucas, is niet tegengesteld aan in de kerk begraven worden en die indruk geef je wel. Je kan na een kerkelijke begrafenis ofwel begraven worden of wel gecremeerd. Ik vraag me overigens nog altijd af wat van beide ecologischer is. Voor kisten moeten bomen worden gekapt en schroeven gebruikt. Maar ik heb de indruk dat er voor een crematie die dioxine oplevert en hopelijk gebruikswarmte heel wat kilometers afgelegd worden door een resem auto’s met vaak files tot gevolg.

Plaats een antwoord op het bericht